De leerplichtambtenaar is dus belast met het toezicht op de naleving van de Leerplichtwet. Leerplichtambtenaren die Buitengewoon Opsporingsambtenaar (BOA) zijn, zijn daarbij bevoegd proces-verbaal op te maken bij overtreding van de wet. In de huidige uitvoeringspraktijk is handhaving nog altijd een middel om verzuim te stoppen, maar steeds vaker ook een (uiterste) manier om hulpverlening op gang te brengen en het recht op onderwijs te beschermen.
Achtergrond
De Leerplichtwet werd van kracht op 1 januari 1901. Het doel van de Leerplichtwet van 1901 was bevorderen dat kinderen in de leeftijd van 7 tot 12 jaar behoorlijk lager onderwijs zouden genieten. Elke gemeente werd verplicht een Commissie tot Wering van schoolverzuim in te stellen en deze van de nodige middelen te voorzien om het toezicht op de naleving van de Leerplichtwet naar behoren uit te kunnen voeren. Hiertoe werd een inspecteur (toen schoolopziener genoemd) aangesteld.
De procedure van het melden van schoolverzuim was complex:
- schoolhoofden meldden binnen drie dagen het ongeoorloofd verzuim aan de Commissie en aan de schoolopziener;
- de Commissie stelde binnen acht dagen een onderzoek in, waarin ook de ouders werden gehoord;
- de uitslag van het onderzoek werd gedeeld met de schoolopziener: indien er proces-verbaal moest worden opgemaakt, werd het ongeoorloofd schoolverzuim doorgegeven aan de ambtenaren van het Openbaar Ministerie;
- van haar handelen rapporteerde de commissie in de vorm van jaarverslagen aan de gemeente.
Recht op onderwijs
In de Leerplichtwet van 1969 kreeg leerplicht meer het karakter van bescherming van het recht op onderwijs voor jongeren. De verplichtingen en verantwoordelijkheden werden dan ook bij anderen neergelegd en niet bij de jongeren zelf.
Ouders, scholen en gemeentebesturen kregen in de Leerplichtwet 1969 een taak om te zorgen dat de jongeren beschermd zouden worden tegen belemmerende factoren die het recht op onderwijs nadelig zouden kunnen beïnvloeden.
Vrijere taakstelling
Het toezicht op de naleving van de Leerplichtwet diende meer het karakter van maatschappelijke zorg te hebben. De wijze waarop dit ingevuld werd, was en is afhankelijk van de plaatselijke omstandigheden. Burgemeester en wethouders moesten de inhoud van de nieuwe taak zelf bepalen.
Voor het toezicht op de naleving van de Leerplichtwet, is met name paragraaf 4 van de Leerplichtwet 1969 van belang.
Praktijk
De werkomgeving van een leerplichtambtenaar verschilt per gemeente. In sommige gemeenten bestaat de ‘afdeling leerplicht’ uit één leerplichtambtenaar. Andere gemeenten participeren in een Regionaal Bureau Leerplicht (RBL), een samenwerkingsverband van meerdere gemeenten.
Er zijn gemeenten die kwalificatieplichtambtenaren in dienst hebben. Die houden zich specifiek bezig met de handhaving van de kwalificatieplicht. Sommige gemeenten hebben ervoor gekozen leerplicht, kwalificatieplicht (18-) en Doorstroompunt (18-27) te integreren in één afdeling of bureau.
Verschillen in inrichting
De wijze waarop een gemeente haar afdeling leerplicht positioneert en vormgeeft, is mede afhankelijk van:
- de omvang van de gemeente;
- de visie op leerplicht/kwalificatieplicht en voortijdig schoolverlaten;
- de bestuurlijke besluitvorming.
Hoe de werkomgeving van de leerplichtambtenaar ook is ingericht, het is zijn of haar taak om instrumenten in te zetten om schoolverzuim te stoppen. De leerplichtambtenaar is de spin in het web. Na de school is de leerplichtambtenaar vaak de eerste die vaststelt dat een jongere dreigt vast te lopen.
Een goede samenwerking in de keten is van groot belang voor een succesvolle aanpak van verzuim en voortijdig schoolverlaten. En draagt bij aan het versterken van het recht op onderwijs en ontwikkeling.