Een belangrijk doel van het onderzoek van KBA Nijmegen was het bepalen van de omvang van de groep thuiszittende kinderen en jongeren. Hiervoor is gekeken naar een passende definitie en de verschillende vormen van afwezigheid/niet deelnemen aan onderwijs. Daarnaast is onderzoek gedaan naar de oorzaken (volgens scholen en gemeenten) en de omgang van scholen met aan- en afwezigheid.
Het onderzoek laat zien dat de term ‘thuiszitter’ in de praktijk als stigmatiserend en onduidelijk wordt ervaren. De term legt de verantwoordelijkheid impliciet bij het kind of de jongere en doet onvoldoende recht aan de rol van onderwijs en ketenpartners. Een breed gedragen alternatief blijkt lastig te vinden. Daarom kiest het rapport voor de omschrijving 'kinderen en jongeren die niet het volledig (afgesproken) onderwijsprogramma (kunnen) volgen'. Deze bredere benadering maakt zichtbaar dat het om meer gaat dan alleen ongeoorloofd verzuim.
Binnen deze brede groep onderscheidt KBA Nijmegen diverse subgroepen, zoals langdurig relatief en geoorloofd verzuim, structurele afwezigheid, absoluut verzuim en vrijstellingen van de leerplicht. De cijfers laten zien dat met name structurele afwezigheid en langdurig geoorloofd verzuim veel vaker voorkomen dan uit bestaande landelijke tellingen blijkt. Oorzaken zijn meestal meervoudig en liggen op individueel niveau, in de thuissituatie, binnen het onderwijssysteem en bij externe factoren zoals wachtlijsten.
De belangrijkste conclusie is dat de huidige definitie, registratie en telling van thuiszitten geen volledig beeld geven van de problematiek. Het rapport pleit voor een integrale benadering waarin alle vormen van langdurige en structurele afwezigheid in beeld komen. Dit vraagt om aangepaste definities, betere registratie en monitoring, verbreding van meldingen en duidelijkere verantwoordelijkheden.
