Landelijk verlaten elk jaar meer dan 22.000 studenten hun mbo-instelling zonder diploma. De oorzaken lopen behoorlijk uiteen, maar uit onderzoek blijkt wel dat aanwezigheid op school (of beter gezegd: het gebrek daaraan) een goede voorspeller is voor voortijdige schoolverlaten. Hoe meer een student aanwezig is, hoe groter de kans op een succesvolle schoolcarrière. Daarom startte het ROC van Amsterdam-Flevoland in 2025 een project om te ontdekken hoe je die aanwezigheid zo hoog mogelijk krijgt. Ingrado-projectleider Henrie Mastwijk mocht op de grootste brood- en banketschool van Nederland langskomen om meer te leren over het project.
Projectleider en impactmanager Merel Schenk en communicatieadviseur Marleen van de Wouw: “In het onderzoek testen we allerlei interventies. We starten steeds met een team-tweedaagse waarop onderwijsteams zelf bedenken welke interventies mogelijk tot meer aanwezigheid kunnen leiden bij hun opleiding. Zij baseren zich hierbij op data en andere informatie die ze van ons krijgen, zoals uiteraard de relevante verzuimgegevens, maar bijvoorbeeld ook tevredenheidsonderzoeken en de uitkomsten van interviews die we met studenten hebben gehouden. Er zijn ook studenten aanwezig tijdens de tweedaagse. Samen gaan ze aan de slag met het duiden van de cijfers en het analyseren van de situatie. Vervolgens komen ze tot een voorstel voor een of meer interventies.”
(Links Merel Schenk, rechts Marleen van de Wouw)
Feiten en cijfers
“Soms heeft een team vooraf al een idee over welke interventie ze willen testen”, vertelt Merel. “Ze denken dan al te weten waardoor studenten geregeld afwezig zijn. Dat beeld kán bevestigd worden door de interviews en data-analyses, maar soms blijkt juist dat hun aannames niet kloppen en dat er wat anders aan de hand is.”
Zo blijkt uit de interviews dat afwezigheid vaker een praktische reden heeft dan ze vooraf dachten. “De veelgehoorde veronderstelling dat mbo-studenten vooral afhaken omdat ze veel aan hun hoofd hebben, lijkt niet altijd te kloppen. Bij sommige studenten is dat natuurlijk wel een oorzaak, maar bijvoorbeeld versnipperde roosters worden vaker genoemd. Studenten zijn ook pragmatisch: als ze meer tijd kwijt zijn aan reizen dan aan aanwezig zijn, blijven ze thuis.”
De data-analyse kan ook tijdsafhankelijke oorzaken aan het licht brengen. Bij een opleiding bleek er bijvoorbeeld een flinke dip in de aanwezigheid te zijn in een specifiek periode in het tweede jaar. Merel: “We zijn met elkaar gaan kijken wat daarachter zit. In dit geval ging het om de onderwijsperiode die volgde op de stage: studenten hadden blijkbaar moeite om na hun werk in de praktijk weer in het schoolritme te komen. Op basis van deze kennis zijn we de interventie gaan vormgeven.”
Marleen vervolgt: “Bij een andere opleiding kwam iets soortgelijks naar voren. Studenten die prima presteerden, hadden toch moeite met het eindproject. In dat project moeten studenten heel zelfstandig aan de slag en dat zijn ze nog helemaal niet gewend. Om de aanwezigheid hier te verhogen, wordt bekeken hoe de overgang versoepeld kan worden, bijvoorbeeld door de benodigde vaardigheden al eerder in de opleiding aan bod te laten komen.”
Maatwerk
Per opleiding gaat het veelal om maatwerk, benadrukken Marleen en Merel. “De aanpak van aanwezigheid kan per opleiding behoorlijk verschillen. De studenten zijn heel anders en bij de ene opleiding spelen andere zaken dan bij de andere. In een BBL-opleiding gaat de student gemiddeld slechts een dag in de week naar school. De overige dagen zijn ze aan het werk. Als het gaat om aanwezigheid, speelt dus ook het leerbedrijf een belangrijke rol. Bij een van de BBL-opleidingen is een relatiebeheerder aangesteld om de samenwerking tussen school en leerbedrijf te versterken, zodat we beter zicht én invloed hebben op de aanwezigheid.”
Meten is weten
Uit de team-tweedaagse volgt een projectplan waar het onderwijsteam mee aan de slag kan. Ze worden daarbij begeleid door Merel, Marleen en hun collega’s. “We denken vooraf na over de beoogde effecten en maken een verandertheorie”, vertelt Merel. “Op basis daarvan maken we een meetplan: welke indicatoren gaan we meten om vast te stellen wat het effect is? Je wilt zo dicht mogelijk op de interventie monitoren, zodat je weet welke verandering door de interventie zelf komt en niet door andere factoren.” Als voorbeeld noemt Merel het invoeren van een mentoruur: “Als je wilt weten of een mentoruur bijdraagt aan verhoogde aanwezigheid, is het niet genoeg om alleen naar het aanwezigheidscijfer voor en na de invoering te kijken: het is tenslotte van belang dat studenten daadwerkelijk van dat mentoruur gebruikgemaakt hebben. Je moet dus ook díe cijfers erbij betrekken. En sluit het mentoruur inhoudelijk wel aan bij de behoeften van studenten? Ook dat heeft invloed op de aanwezigheid. Je zult dus moeten uitvragen hoe studenten het mentoruur hebben ervaren.”
Het effect van sommige interventies kun je gelijk meten, voor anderen moet je geduld hebben. De ‘reality-checkdag’ vergt bijvoorbeeld een lange adem. “Dit is een nieuwe kennismakingsactiviteit die wordt ingezet om verkeerde keuzes te voorkomen. Je kunt echter pas in het volgende schooljaar zien of het een effect heeft gehad.” En zelfs dan is het resultaat nog onzeker: “Er zijn zoveel factoren in het spel, dat je in feite nooit met absolute zekerheid kunt zeggen dat de interventie tot een bepaald effect heeft geleid. Wat wij doen, is dus ook geen wetenschappelijk onderzoek. We willen vooral zoveel mogelijk leren. Enerzijds over de effectiviteit van specifieke interventies, anderzijds meer in het algemeen over het bevorderen van schoolaanwezigheid. We hebben bijvoorbeeld nu een vaste data-analist aan het team toegevoegd, omdat de kwaliteit van de data én de analyses nog belangrijker zijn dan gedacht.”
Conclusies
Begin 2025 zijn de eerste onderwijsteams gestart met het bedenken en uitvoeren van interventies. Een deel van deze projecten is inmiddels afgerond. Aan het einde van 2026 zijn er naar verwachting meer dan twintig interventies getest. Voor de medewerkers van het ROC van Amsterdam-Flevoland zijn die allemaal terug te vinden op een intern dashboard. “Iedereen heeft zo een goed overzicht van wat er loopt, wat er is afgerond en wat de resultaten zijn. We verwachten eind dit jaar ook een advies te kunnen uitbrengen aan de organisatie.”

Of interventies permanent worden ingevoerd, hangt af van het resultaat en de investering in tijd en geld. “Er zijn zeker interventies die een vaste plek krijgen, zoals gezamenlijk 100% aanwezigheid als norm stellen. Bovendien is ook de bewustwording bij docenten en leidinggevenden over het belang van aanwezigheid een belangrijk resultaat. Het impactonderzoek laat zien hoe soms kleine ingrepen al kunnen bijdragen. Schoolaanwezigheid verbeteren is een doorlopend proces dat blijvende inzet vraagt. Door studenten te betrekken en gedurende het hele proces gebruik te maken van data, sluiten oplossingen zo goed mogelijk aan bij de praktijk. Het is belangrijk dat professionals zich hiervan bewust zijn.”
