Nou breekt mijn klomp, was mijn eerste reactie. Het stof na het besluit van het Openbaar Ministerie geen zaken meer op te pakken rond artikel 5 onder b is nog niet neergedaald, of we (of liever jullie) staan alweer voor een nieuwe uitdaging. In haar arrest van 21 april jl. stelt de Hoge Raad, kort door de bocht, dat ouders slechts in uitzonderlijke gevallen een beroep kunnen doen op een vrijstelling 5 onder b als er binnen redelijke afstand een openbare school is. Daar immers wordt onderwijs gegeven op een objectieve, kritische en pluralistische manier, is de redenering.
Nóg complexer
De motivatie van de Raad is alleszins lovenswaardig: het recht op onderwijs van kinderen stelt grenzen aan de mogelijkheid van een vrijstelling. Ik kan dat alleen maar van harte onderschrijven, maar ik weet ook wat dat in de praktijk voor de leerplichtambtenaar betekent onder de huidige omstandigheden. Ik dacht dat de situatie niet nóg complexer kon worden, maar de uitspraak van de Hoge Raad veroorzaakt nieuwe onrust. Vandaar die klomp.
Ook voor ouders en hun kinderen die nu in een vrijstellingssituatie zitten, brengt deze uitspraak veel onzekerheid met zich mee. We kijken daarom uit naar het Kamerdebat van 10 juni as. over het funderend onderwijs. Daar staan ook de vrijstellingen op de agenda.
Kamerleden bijgepraat
Mooi ook, in dit verband, dat we afgelopen week tijdens een kennisbijeenkomst (nieuwe) Tweede Kamerleden mochten bijpraten over ons vakgebied. Samen met het Overkoepelend Netwerk Samenwerkingsverbanden (ONSWV) verzorgde Ingrado een presentatie. Wij zoomden in op de geschiedenis van de Leerplichtwet, de Methodische Aanpak Schoolverzuim, de preventieve rol de leerplichtambtenaar en de transitie van verzuim naar schoolaanwezigheid.
Het ONSWV benadrukte in haar bijdrage eveneens het belang van denken in schoolaanwezigheid. Geweldig dat het gedachtegoed steeds meer voet aan de grond krijgt. Ik hoop dat de Tweede Kamerleden onze boodschap meenemen en zullen uitdragen. De komende debatten over passend en funderend onderwijs worden niet alleen belangrijk voor beleid en wetgeving, maar vooral voor de dagelijkse praktijk van kinderen, ouders en professionals die zich inzetten voor het recht op onderwijs en ontwikkeling.