6 mei 2026

Hoge Raad scherpt met recent arrest toetsingskader leerplichtvrijstelling 5 onder b Lpw aan

Met het arrest van 21 april 2026 verduidelijkt De Hoge Raad artikel 5 onder b van de leerplichtwet, in het bijzonder de toetsing van dat artikel. De Hoge Raad stelt in haar uitspraak het recht op onderwijs voor kinderen, zoals dat door onder meer het Europees Verdrag voor de rechten van de mens (het EVRM) wordt gewaarborgd, centraal.

Het recht op onderwijs stelt grenzen aan de mogelijkheid voor een vrijstelling van de leerplicht op grond van richtingsbezwarenDie mogelijkheid komt in praktijk te vervallen als er een school voor openbaar onderwijs in de nabije omgeving van het woonadres is. De Hoge Raad stelt dat van de overheid actief handhavend optreden mag worden verwacht, zo nodig langs strafrechtelijke weg, als ouders hun kind niet inschrijven op een school. Een betekenisvol arrest voor onze leden, waar Ingrado met dit bericht een eerste duiding aan wil geven. 

Lees hier de volledige uitspraak.

Motivering arrest 
De Hoge Raad zet in zijn uitspraak uiteen wat het toetsingskader is voor de beoordeling van een beroep op de genoemde vrijstelling van de inschrijfplicht. De Hoge Raad wil hiermee eerdere eigen rechtspraak verduidelijken en op onderdelen aanscherpen. De reden daarvoor is allereerst dat in de praktijk vragen bestaan over de manier waarop dat toetsingskader moet worden toegepast. Dat bleek ook uit de motivering van het Openbaar Ministerie bij haar besluit van vorig jaar om geen zaken die te maken hadden met vrijstellingen 5 onder b meer voor de rechter te brengen.

Daarnaast beoogt de Hoge Raad met de nadere invulling en aanscherping van het toetsingskader duidelijkheid te verschaffen over de grenzen die het recht op onderwijs stelt aan de mogelijkheid om een beroep op vrijstelling van de inschrijfplicht te honoreren wegens overwegende bedenkingen. Deze begrenzing moet recht doen aan de toegenomen betekenis van het recht op onderwijs voor een volwaardige deelname aan de samenleving. 

Hoofdlijn arrest 
De Hoge Raad is van oordeel dat met betrekking tot openbare scholen alleen nog met succes een beroep kan worden gedaan op de vrijstellingsgrond als komt vast te staan dat het onderwijs op alle openbare scholen binnen redelijke afstand van de woning, voor zover dat onderwijs godsdienstig, levensbeschouwelijk of maatschappelijk van aard is, niet plaatsvindt op een objectieve, kritische en pluralistische manier. Deze kernwaarden komen uit een uitspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, namelijk de zaak Kjeldsen, Busk Madsen and Pedersen v. Denmark (1976). Daarin oordeelde het hof dat onderwijs: “objectief, kritisch en pluralistisch” moet zijn. 

Deze grondslagen zijn in Nederland herleidbaar in onder andere de Grondwet en de wet op het primair onderwijs (artikel 8 Wpo) en het onderzoekskader dat de Inspectie van het Onderwijs hanteert. Dit zal in de praktijk betekenen dat een beroep op deze vrijstellingsgrond, waar het gaat om openbaar onderwijs, nog nauwelijks kans van slagen heeft. 

Betekenis arrest voor leerplicht 
Dit arrest markeert een omslagpunt. Kort gezegd: in principe voldoet openbaar onderwijs altijd, tenzij onderwijs op desbetreffende openbare school niet op een objectieve, kritische en pluralistische manier invulling krijgt óf als er zich geen openbare school binnen redelijke afstand van hun woning bevindt. Nieuwe beroepen op een vrijstelling 5 onder b zullen langs deze lat moeten worden gelegd. Een uitspraak door de Hoge Raad, als hoogst rechtsprekende rechter, moet gevolgd worden, zowel door de gemeente als door het Openbaar Ministerie. Wat dit betekent voor al verleende vrijstellingen, is onderwerp van nadere uitwerking. 

Vervolg 
Ingrado en het Openbaar Ministerie beraden zich, in afstemming met VNG en OCW, over de vraag hoe kan worden omgegaan met al verleende vrijstellingen. Alle partijen zijn zich bewust van de datum van 1 juli die snel dichterbij komt en doen er alles aan om op zo kort mogelijke termijn met nadere informatie te komen.