Leerplichtwet

De Leerplichtwet van 1900 werd met 50 tegen 49 stemmen aangenomen, doordat een tegenstander (Francis David Schimmelpenninck) van zijn paard was gevallen en daardoor niet kon stemmen. 'Het paard is verstandiger dan zijn meester' zeiden voorstanders van de wet. De Leerplichtwet trad op 1 januari 1901 in werking. In 1969, bijna 70 jaar later, werd de huidige leerplichtwet aangenomen.

Achtergrond
Het doel van de Leerplichtwet was te bevorderen dat kinderen in de leeftijd van 7 tot 12 jaar behoorlijk lager onderwijs zouden krijgen. Elke gemeente werd verplicht een Commissie tot wering van schoolverzuim in te stellen en deze van voldoende middelen te voorzien om het toezicht op de naleving van de Leerplichtwet naar behoren uit te kunnen voeren.

Vooral bij de christelijke partijen bestond in 1900 verzet tegen de Leerplichtwet, omdat ze het bestaansrecht van christelijke scholen bij wet geregeld wilden hebben. Dit gebeurde pas bij de Grondwetswijziging van 1917 (het bekende Artikel 23 van de Grondwet). De socialisten waren ook tegen de wet, maar dan omdat zij de wet niet ver genoeg vonden gaan. De Leerplichtwet 1900 kende als speciale vorm van onderwijs ook nog het huisonderwijs - zoals dat in adellijke families toen nog voorkwam - als geldige vorm van onderwijs, mits door een bevoegde onderwijzer gegeven. Had dat huisonderwijs er niet in gestaan, dan zouden meerdere Kamerleden tegen hebben gestemd.

Het ongeoorloofd verzuim nam met de invoering van de Leerplichtwet af, maar het aantal ziekmeldingen nam toe en van de mogelijkheid tot ontheffing van de leerplicht werd vaak oneigenlijk gebruikgemaakt.

Doordat steeds meer kinderen naar school gingen, werd het aanbod van onderwijsvoorzieningen uitgebreid. Het kleuteronderwijs werd algemeen verbreed en de vraag naar voortgezet onderwijs nam toe.

De overheid regelde het toegenomen schoolbezoek door de duur van de leerplicht te verlengen. Deze verlengingen volgden op het uitbreiden van het arbeidsverbod voor jeugdigen.

Leerplichtwet 1969
In 1969, bijna 70 jaar later, werd er door allerlei ontwikkelingen een nieuwe leerplichtwet aangenomen.

Belangrijke wijzigingen ten opzichte van de Leerplichtwet van 1901 waren:

  • het toezicht op de naleving van de Leerplichtwet berust in het geheel bij de gemeentebesturen en wordt door gemeenteambtenaren uitgevoerd;
  • de Commissies tot wering van het schoolverzuim verdwijnen en er komt een nieuwe procedure;
  • het absoluut schoolverzuim (niet ingeschreven staan op een school) wordt strafbaar gesteld en daarmee vervallen de ambtshalve inschrijvingen;
  • het huisonderwijs als mogelijkheid om aan de leerplicht te voldoen vervalt;
  • het ontbreken van een vaste verblijfplaats is geen reden meer tot vrijstelling;
  • de duur van de leerplicht wordt verlengd tot negen jaar.

Leerplicht kreeg in de nieuwe wet meer het karakter van een bescherming van het recht op onderwijs voor jongeren. De verplichtingen en verantwoordelijkheden dienaangaande werden dan ook bij anderen neergelegd en niet bij de jongeren zelf.

Regelgeving
Sindsdien is de Leerplichtwet op verschillende punten aangepast. Bekijk de volledige wettekst

Leerrecht
Steeds vaker gaan er stemmen op om te spreken van leerrecht in plaats van leerplicht. Dat gaat verder dan alleen een andere term gebruiken. Het gaat om een andere benadering van het veiligstellen van het recht op onderwijs. Op verzoek van de Tweede Kamer deden hoogleraren Huisman en Zoontjens onderzoek naar het leerrecht. Tijdens de Schimmelpenninck-lezing van maart 2016 gaf Pieter Huisman al een doorkijkje naar dit boeiende onderwerp.

Meer over dit onderwerp

Jaarverslagen

Het college van Burgemeester en Wethouders van een gemeente moet volgens artikel 25 van…